Afgelopen 5 februari was de eerste KNSB-wedstrijd van dit kalenderjaar. Alle lockdownellende voor onze sport lijkt gelukkig tot het (voorlopige) verleden te behoren. Als het bij de toegangsvinkjes en de tussenschermen kan blijven vind ik het allemaal prima.
Er zit altijd een lange winterslaap (en het TATA Steel-toernooi) tussen de laatste wedstrijd van het oude jaar en de eerste wedstrijd van het nieuwe jaar. Doordat de wedstrijd van 18 december ook al werd uitgesteld, duurde die periode extra lang. Als een aantal jonge dartelende veulentjes die de wei in mogen, betraden wij nu het strijdtoneel.
De wedstrijdleider was rond 13.00 uur nog afwezig, want die zat met het spoorboekje van de NS te goochelen en kwam “gewoon” later binnen zetten. Een markante verschijning met dito baard. Echt het prototype van een professor Zonnebloem. Zeg maar gerust een warhoofd. Hij zou ook niet misstaan in een scène bij Mister Bean.
Zo snel als hij binnenkwam ging hij ook weer weg. Met een wapperende OV-chipkaart in de hand. Vergeten uit te checken! Dat is het gevaar als er geen poortjes zijn zoals in station Naarden-Bussum. Is mij trouwens ook een keer gebeurd. Mazzel voor de wedstrijdleider dat ons station vlakbij ons Denksportcentrum ligt. Later kon je deze beste man zien en vooral horen fröbelen met schaar en karton. Alleen de kurk ontbrak… Dat karton diende uiteraard om in de tijdnoodfase e.e.a. te noteren. Dat soort zaken kun je toch ook van tevoren voorbereiden?
Vandaag was Krimpen aan den IJssel onze opponent met in hun midden een tweetal illustere tegenstanders. Te weten Frans Cuijpers en Rini Kuijf. Twee ervaren rotten die al heel lang meedraaien in de schaaktop in Nederland. Beiden heb ik meermaals moeten bestrijden in jeugdkampioenschappen.
Frans Cuypers wordt in de wandelgangen grappenderwijs wel Frans “Zuipers” genoemd, om geen naamsverwarring met Frans Kuijpers te krijgen (een andere bekende schaakmeester). Rini Kuijf behoorde tot een schaakfamilie (met zijn twee andere broers werden zij “de drie Daltons” genoemd). Rini was altijd de sterkste en is de enige van de broers die nog schaakt. Rini en Frans zijn niet zo fanatiek meer als in het verleden, maar nog steeds heel gevaarlijk, zoals wij vandaag op pijnlijke wijze zouden ondervinden.
Hoe terug te kijken op deze wedstrijd? Het werd een horrorwedstrijd welke ten slotte eindigde in een tragedie. Je kon de slotfase van een aantal partijen niet met droge ogen aanzien. Ik moest bij de laatste twee partijen denken aan een uitspraak van Johan Cruijff: “als je niet ken winnen, moet je zorgen dat je niet verliest”. Helaas kent niet iedereen deze “wijsheid” en wij verloren op dramatische wijze.
Hoe kon dit zo dramatisch uit de hand lopen? De eerste helft was duidelijk voor BSG. De partijen die goed stonden werden ook gewonnen terwijl er maar een remise werd genoteerd. Na de eerste helft stond het maar liefst 4½-1½ voor BSG met nog vier partijen te gaan. Het kon niet misgaan zo dacht iedereen. Twee remises zou toch moeten lukken? Toen was het echter gedaan met ons geluk.
Eerst maar de eerste helft toen alles nog zo goed leek te gaan.
De eerste man die rond kon lopen was Rein. In een Caro-Kann verleidde hij wit tot een aantal verzwakkingen waar onze zwartspeler van zou kunnen profiteren. Een enorme kans kort na de opening zag hij echter over het hoofd (dat verwacht je ook niet in een Caro-Kann) waarna de stukken snel in de doos verdwenen. Teleurgesteld gaf onze man remise in een stelling die nog steeds beter was voor hem. Deze snelle remise had ik niet zien aankomen. In mijn hoofd had ik het punt al geteld.
Een andere Caro-Kann kreeg Iskander op het bord dat hij bestreed met een zijvariant. Een mooi positioneel pionoffer met e6! blokkeerde zwarts stelling volledig. Een aantal zwarte stukken deden niet echt mee. Zwart stond volledig miserabel na zo’n 10 zetten. Ik dacht nog: “die Caro-Kann is toch zo’n solide verdediging?” Niets van gemerkt in deze partij. Terechte overwinning voor wit.
Ewoud speelde met zwart tegen de ervaren rot Frans Cuijpers. Frans speelt niet veel hoofdvarianten meer. Verstandig als je 1.e4 speelt, dat is toch ook niet allemaal bij te houden. Logisch dat hij koos voor een zijvariant in het Spaans (Spaans met 5.d4). Als zwart deze variant kent is het helemaal niets voor wit. Het voordeel van zo’n zijvariant kan zijn dat je tegenstander niet de finesses hiervan kent of bent vergeten, zoals Ewoud later aangaf. Tien jaar geleden had hij dezelfde opening gekregen en had toen de juiste remedie gevonden. Die kennis was blijkbaar naar zijn grote teen gezakt, aangezien die kennis 10 jaar lang niet gebruikt kon worden.
Een paard en dame kwamen ongelukkig op de damevleugel terecht. Frans Cuijpers is de man van “keep it simple”. Na een eenvoudige ruil van loper tegen paard veroverde wit veld d5. Prompt werd daarvan geprofiteerd met 19.Pd5! waarna Ewoud mocht kiezen tussen een gebroken arm of een gebroken been. Onze man had geen zin in een enorme verzwakking van zijn koningsvleugel en gaf twee stukken voor een toren. Dat bleek echter geen soelaas te bieden. Toen er nog meer materiaal verloren zou gaan in een eindspel gooide hij terecht de handdoek in de ring.
In de partij van Coen moest ik even met mijn ogen knipperen. Zag ik dit nou goed? Hollands op het bord van Coen. Een Oud Hollandse opening die hij naar eigen zeggen nog nooit eerder had gespeeld. Speciaal geprepareerd voor deze wedstrijd. That’s the spirit! Het moet gezegd worden dat wit wel een aantal erg verzwakkende zetten speelde, maar goed zonder fouten van de tegenstander win je echt niet.
Een van de beste partijen van vandaag kwam op naam van Jesper. Een goede voorbereiding is het halve werk dat bleek maar weer eens. Jesper begreep de finesses van deze opening beter dan zijn tegenstander. Hij kreeg een sterk initiatief op de damevleugel dat resulteerde in een versplinterde witte pionnenstelling. Jesper kon daardoor een pion veroveren. Laat de technische afwerking dan maar over aan onze man.
Ondergetekende kreeg een Wolgagambiet tegen zich dat hij bestreed met 5.e3. Zwart koos een zijvariant die de witspeler nooit had bekeken. Na zo’n 8 zetten was hij “out of book”. Het werd een enerverende kurzpartie die heel anders had kunnen aflopen… Beide spelers kunnen i.i.g. op een herhalingscursus tactiek!
Frans Borm zat op bord 6 tegen Rini Kuijf. Een opmerkelijk laag bord voor Kuijf. Hij is tenslotte een sterke IM. Hij wil altijd met zwart spelen en dan zijn er niet veel bordmogelijkheden als je altijd zwart wilt hebben. Mazzel voor hem dat Frans Cuijpers bijna altijd met wit speelt. Over hun kleurverdeling ontstaat i.i.g. geen ruzie.
“Onze” Frans stond steeds iets beter tegen de geïsoleerde pion van zwart in een Franse Tarrasch-variant. Echter een remise leek steeds de meest logische uitslag, zeker toen het een toreneindspel werd. Zijn niet alle toreneindspelen altijd remise hoor ik u denken? Nee, zeker niet.
Ik dacht aan een uitspraak van Hort toen hij speelde tegen de Nederlandse meester Frans Kuipers (ja de andere!) in het Hoogovenstoernooi van 1975. In de partij van Hort ontstond een paardeindspel dat Hort maar door bleef spelen. Volgens alle kibitzers was het potremise. Maar zoals Hort zei: “Weet Kuipers dat ook ?” U begrijpt wat die uitslag werd.
En zo verging het Frans Borm eigenlijk ook. Een iets te passieve opstelling van zijn toren werd hem fataal. Kuijf had de “zwakke” geïsoleerde pion die als vrijpion steeds sterker werd en kon steeds meer ruimte pakken. Schaken lijkt op die manier een spel van veldjes veroveren. Onze man had op tijd tegenmaatregelen kunnen treffen door met zijn meerderheid op de koningsvleugel een vrijpion te creëren. Toen Kuijf op listige manier die meerderheid onschadelijk kon maken was het pleit snel beslecht.
Voor de partij van Ruben verwijs ik naar zijn analyse.
Gelukkig hadden we nog twee partijen als “toetje”. De “toetjesmannen” waren Henk en Timon. De toetjes zagen er smakelijk uit. Dat zou toch minimaal 1½ punt opleveren? Maar de smakelijke hapjes bleken nogal giftige ingrediënten te bevatten.
Henk stond zo’n beetje heel de partij een pion voor en ging die op (te) subtiele manier te gelde maken. De witspeler begon een wanhoopsoffensief dat onze man wel nauwkeurig moest opvangen. Maar zoals zo vaak: niets is zo moeilijk als een gewonnen stand winnen. Vaak is de beste methode om de eventuele aanvalsdreigingen van de tegenstander uit de stelling te halen. Dan moet je die dreigingen uiteraard wel zien. Door een ongelukkige stand van de toren en de dame kon de witspeler met een paar rake klappen en een offer het punt naar zich toetrekken. Tragische uitslag na zo’n goede partij van Henk.
Timon had een vrijpion op de damevleugel ondersteund door toren en paard. Het leitmotief van Timon in het eindspel leek wel: “don’t hurry, be happy.” Dat had succes want zwart ging zijn koningsvleugel verzwakken. Daar had Timon op tactische wijze van kunnen profiteren.
Geen idee waarom hij treuzelde om met zijn vrijpion te gaan rennen. De vrijpion kwam niet verder dan a5. Vrijpionnen dienen naar voren te gaan (“Passed pawns must be pushed” zei Fischer eens). Helaas raakte Timon zijn belangrijkste troef kwijt door een minicombinatie door een paardvork en toen ging het van kwaad tot erger. De zwarte stukken werkten beter samen en in hoge tijdnood ging Timon ten slotte ten onder. Het drama was voltooid.
Er werd wat afgeblunderd vandaag. Wie kan daar iets zinnigers over zeggen dan Jan Hein Donner? De man waarvan Tim Krabbé moeiteloos 25 verliespartijen kon verzamelen onder de 25 zetten (meestal door geblunder). In een interview met Godfried Bomans zei Donner zinnige dingen over “blunderen”: “Dat is natuurlijk de eerste vijand van de schaker. Er zijn in de taal geen woorden om weer te geven de walging en de zelfhaat die de schaker bevangen wanneer hij een een partij verloren heeft door een blunder. Woorden als wroeging en berouw zijn kinderspel bij de zelfwalging die de schaker heeft. Tijdens de partij bestaat er voortdurend de angst voor het maken van blunders en zoals bekend maak je ze dan juist…”
Hij eindigt met: “De woede die dan ontstaat kan creatief zijn op zichzelf. Die woede is alleen maar in bloed te delgen en dat moet dan het volgende slachtoffer wezen.” Laten de volgende tegenstanders van Henk en Timon gewaarschuwd zijn! De link met het hele interview met Jan Hein Donner kun je vinden op:
Wellicht kunnen de woorden die ik hoorde tijdens een uitzending van “Studio Peking” enige troost bieden. “Winnen is natuurlijk prachtig, maar op een dramatische wijze net naast het goud grijpen kan ook mooi zijn.” Confusies zei het 2500 jaar geleden al: “ Alles heeft zijn schoonheid, alleen ziet niet iedereen dat.”
BSG (2117) – Krimpen aan den IJssel (2169) 4½-5½
1. Rein Brouwer (2023) – Peter Glissenaar (2021) ½-½
2. Timon Brouwer (2032) – Diederick Casteleijn (2045) 0-1
3. Ewoud de Groote (2230) – Frans Cuijpers m (2399) 0-1
4. Ton van der Heijden (2262) – Harold van Dijk f (2291) 1-0
5. Henk van der Poel f (2237) – Arie Werksma (2210) 0-1
6. Frans Borm m (2101) – Rini Kuijf m (2350) 0-1
7. Jesper de Groote (2213) – Arne Pols (2168) 1-0
8. Ruben Hilhorst (2034) – Wiggert Pols (2169) 0-1
9. Coen van der Heijden (2013) – Lucas Nguyen (1912) 1-0
10. Iskander Schrijvers (2024) – Michiel Besseling (2126) 1-0
Ton van der Heijden