De Tovenaar van de Celebesstraat


Gesproken woord bij afscheid van Coen van der Heijden.

Coen tijdens het 100-jarig jubileum van BSG. Foto: Lennart Ootes.

Coen was er altijd op de clubavond. Hij stond permanent vooraf ingeschreven op de presentielijst en zou bellen als hij níet kwam. Dat gebeurde zelden. Elke maandagavond was Coen van de partij. Met zijn karakteristieke haastige loopje, laag door de knietjes gezakt, en met zijn koffertje in de hand, dribbelde hij naar zijn vaste plek in de bovenzaal van het Denksportcentrum in Bussum.

Hij had al jong zijn hart verpand aan het schaken en werd smoorverliefd op Caïssa, de schaakgodin. Schaken was zijn lust en zijn leven en hij is maar liefst 62 jaar lid geweest van onze schaakclub.

Coen was naast een markant persoon ook een sterke schaker die vele jaren in de hoogste BSG-teams heeft gespeeld. Hij was een tacticus pur sang. Positioneel zag het er niet altijd sterk uit op het bord. Chaotisch soms. Maar dan was Coen in zijn element. Altijd op zoek naar verrassende combinaties en listige zetjes. Hij was heel getruct, won ook vaak. En won hij niet in de partij, dan won hij wel in de analyse ná de partij. Coen zag dan altijd alleen zijn eigen winstkansen. Legendarisch is zijn overwinning tegen de sterke BSG-er Dick van der Lijn in 1967, toen Coen nog een “broekie” was. Trots was hij ook op zijn overwinning in 1977 tegen Hans Bouwmeester, een zeer bekend figuur in de Nederlandsche schaakwereld. Bouwmeester heeft veel schaakboeken geschreven (vaak samen met een andere BSG-er Bert Kieboom). Onder andere ook één over Mikhail Tal, de oud-wereldkampioen, helaas te vroeg overleden. Tal was een tactische schaker en werd de “Tovenaar van Riga” genoemd. Coen moet hem zeer bewonderd hebben.

Voor mij als teamleider was Coen niet altijd de makkelijkste. Hij wilde altijd wit hebben maar scoorde nota bene met zwart het beste van ons hele team. Daar was hij toch maar moeilijk van te overtuigen. “In de volgende wedstrijd heb ik wit, hè ?”, vroeg hij dan.

Hij was ook een echte “time-manager”. Dat betekende in zijn geval: hij kwam het liefst zo laat mogelijk. Als ik om 12 uur had afgesproken om hem op te halen en mee te rijden naar een uitwedstrijd, dan moest je niet om 5 voor 12 aanbellen, want dan zei hij: “We hadden toch om 12 uur afgesproken?, om vervolgens ook precies pas om 12 uur naar beneden te komen.

Af en toe wilde je hem wel “achter het behang plakken”. Coen wilde namelijk altijd eten en drinken in mijn auto, hoe kort het ritje ook was. Onder voorwaarde dat hij mijn pas schoongemaakte auto niet zou bevuilen, stond ik dit toe. Coen dook in zijn koffertje en daar kwam een broodje eiersalade uit. En omdat hij ook nog op zoek ging naar iets te drinken werd het broodje even op het dashboard gelegd. Aan het einde van de straat aangekomen, moest ik de hoek omslaan en draaide aan mijn stuur. U raadt het al… Het broodje eiersalade vloog via de voorruit tegen de zijkant van de deur en zo op de bekleding van de stoel en de vloer.

Een andere keer bij een uitwedstrijd in Haarlem, toen het hele team behalve Coen na een lange zware middag klaar was met hun partij, wilde Coen op aandringen van de toenmalige teamleider, mijn broer Rein, geen remise aanbieden terwijl er toch echt niets meer uit zijn stelling te halen viel, en het resultaat ook niets meer aan de uitslag zou veranderen. “Dat mag ik toch wel zelf bepalen?”, vond Coen, en speelde door… Dat heeft nog eens anderhalf uur voortgeduurd waarna hij tot overmaat van ramp ook nog eens verloor. Toen heeft hij wel wat verwensingen naar zijn hoofd geslingerd gekregen. Maar je kon nooit lang boos op hem zijn. “Coen is Coen”, zeiden de oudere clubleden dan.

We hielden van Coen, ik hield van Coen.

De laatste weken waren enorm zwaar voor hem. Hij bleef maar pijn hebben en was er wel klaar mee. Dat heeft me erg aangegrepen. Tijdens mijn laatste bezoeken aan hem in het hospice was ik toch best verrast door zijn helderheid van geest. We hebben nog over van alles en nog wat gesproken. Over schaken natuurlijk, van vroeger tijden en nu, maar ook over leven en dood. Zo hadden we het over bijna-doodervaringen waar hij veel over gelezen had, Ufo’s en het hiernamaals, om maar een greep uit de onderwerpen te noemen. Coen geloofde in een leven na de dood, in wat voor vorm dan ook. Dat troostte hem, en tegelijkertijd mij ook.

Een emotioneel moment was zijn afscheidswoord voor ons team dat ik met zijn instemming had gefilmd en doorgestuurd. “Old soldiers never die, they just fade away…” had hij kort daarvoor nog met trillende stem voor me gezongen, en daar refereerde hij ook aan in zijn afscheidswoord voor de andere mannen van ons team.

Coen heeft nu het aardse leven ingeruild voor iets anders, wat dat ook mag zijn, hij was er erg nieuwsgierig naar.

In mijn droom zie ik Coen lopen in een donkere tunnel. Met zijn karakteristieke dribbelpasje en zijn koffertje in de hand, zoals altijd, enigszins gehaast, onderweg naar het licht aan het einde van de tunnel. Daar wordt hij in mijn fantasie opgepikt door een ongeïdentificeerd vliegend object en afgeleverd ergens aan het strand van een wonderschoon Grieks eiland. Daar staat langs de waterkant een schaaktafeltje met aan de ene kant Mikhail Tal, de Tovenaar van Riga, en aan de andere kant Coen, de Tovenaar van de Celebesstraat. Coen speelt met wit natuurlijk en ontbindt zijn duivels tegen de Grootmeester en Wereldkampioen. Tal combineert er hevig op los maar Coen staat zijn mannetje. Plotseling wordt Coen opgeschrikt door het gekrijs van meeuwen dat hem enorm afleid. Met een van ergernis vertrokken gezicht stopt hij zijn duimen in zijn oren, zoals hij altijd deed. Daardoor heeft hij niet goed in de gaten dat het stukoffer van Tal helemaal niet zo goed is, maar het brengt Coen wel in de problemen. Uiteindelijk blijkt de stelling moeilijk te houden en Coen komt in tijdnood. Maar opgeven doet hij niet. Niet lang daarna is het dan toch afgelopen. Coens vlag is gevallen, hij verliest op tijd. Maar dat is helemaal niet zo erg want in de analyse ná de partij wint Coen alsnog…

“Old chessplayers never die, they just run out of time…”

Ik spreek namens alle BSG-ers als ik zeg: we zullen Coen enorm missen maar hem nooit, nooit vergeten.

Timon Brouwer

Comments & Responses

One Response so far.

  1. Melchior Brandenburg schreef:

    Heel mooi geschreven Timon, hulde!!

Geef een antwoord